Agenda

* Gezocht: Tridentijnse Mis in de regio Aalst/Dendermonde
* Kalender met de H. Missen in de buitengewone vorm in de St. Jacobskerk in Antwerpen
* Zondag 27 april: Tridentijnse Mis in de Basiliek van het Heilig Bloed in Brugge om 17u00

vrijdag 28 januari 2011

Agneskerk in Amsterdam kondigt twee pontificale Missen aan

De Agneskerk in Amsterdam is de rectoraatskerk van de St. Petruspriesterbroederschap in Nederland. In deze parochie wordt uitsluitend de traditionele Latijnse liturgie gevierd. Op hun site kondigen zij voor dit jaar twee opmerkelijke H. Missen aan in de Tridentijnse ritus:
"In het jaar 2011 zullen we enkele bijzondere gasten in onze kerk mogen verwelkomen. Allereerst op zondag 10 april (Passiezondag) Zijne Hoogwaardige Excellentie mgr Czeslaw Kozon, bisschop van Kopenhagen. Hij zal die zondag celebrant zijn in een pontificale Hoogmis.

Op 17 september van dit jaar is het precies vijf jaar geleden dat de Tridentijnse Mis ge(her)introduceerd werd in de Agneskerk. Bij gelegenheid van dit eerste lustrum zal die zaterdag een pontificale Hoogmis in onze kerk worden opgedragen door Zijne Eminentie mgr Raymond kardinaal Burke, prefect van het hooggerechtshof van de Apostolische Signatuur in Rome."

woensdag 26 januari 2011

Conferentie in Brugge

Opgelet: de eerder aangekondige conferentie over de Tridentijnse ritus door EH Schijffelen (voor de Mis komende zondag in Brugge) zal niet doorgaan in restaurant Tom Pouce, maar in restaurant Panier d'Or op de Grote Markt 28 en dit tussen 15u45 en 16u30.

maandag 24 januari 2011

Meer dan woorden: uiterlijke tekenen van geloof door de celebrant

Voor u gelezen op www.rknieuws.net:

Meer dan woorden drukt een knieval van de priester nederigheid en waardigheid uit wanneer hij de Heer aanwezig maakt in het heilig Sacrament. Hij weet immers dat hij slechts een dienaar is. Er zijn echter andere tekenen van devotie:

Wanneer de priester zijn handen uitstrekt in het gebed dan is dat als de smeekbede van iemand die arm en nederig is. De Algemene Instructie van het Romeins Missaal bepaalt “dat de priester, wanneer hij de H.Mis opdraagt, God en de mensen moet dienen met waardigheid en nederigheid. Zijn houding en de wijze waarop hij de Goddelijke woorden uitspreekt, moeten het geloof in de werkelijke, levende aanwezigheid van Christus bij de gelovigen overbrengen"(nr. 93). Een nederige houding zoals die van Christus zelf, zachtmoedig en nederig van hart.

Tijdens het gaan naar het altaar, moet de priester nederig zijn, niet om zich heen kijkend alsof hij op zoek is naar applaus. In plaats daarvan moet hij kijken naar Jezus, de gekruisigde Christus die aanwezig is in het tabernakel en voor wie hij buigen moet. Hetzelfde wordt gedaan voor de heilige afbeeldingen van de Maagd, de patroonheilige, de andere heiligen in de apsis of aan de zijkanten van het altaar.

Dan volgt de eerbiedige kus van het altaar, de bewieroking en de sobere begroeting van de gelovigen. Na de begroeting volgt het confiteor (schuldbelijdenis) met de ogen neergeslagen. In de buitengewone vorm van de Romeinse ritus knielen de gelovigen om zo de Heer te behagen.

De celebrant mag zijn stem niet verheffen en moet met een duidelijke, constante toon de homilie houden. Tijdens gebeden moet de stem onderdanig en smekend klinken en plechtig indien gezongen. "In teksten die worden gesproken, met een luide en duidelijke stem, hetzij door de priester of de diaken, of door de lector, of door allen, moet de toon van de stem overeenkomen met het genre van de tekst zelf. Dat kan een lezing, een gebed, een commentaar, een acclamatie, of een gezongen tekst zijn. De toon moet ook worden aangepast aan de vorm van viering en de plechtigheid van de bijeenkomst.

De priester zal de heilige gaven vol adoratie aanraken en hij zal het heilig vaatwerk kalm en aandachtig zuiveren in overeenstemming met de zovele heiligen en priesters voor hem. Hij zal zijn hoofd buigen over het brood en de kelk tijdens het uitspreken van de consecratiewoorden van Christus en tijdens de aanroeping van de Heilige Geest (epiclesi). Hij zal hen afzonderlijk opheffen en aanstaren vol adoratie waarna hij ze in meditatie langzaam laat zakken. Hij zal twee keer in plechtige aanbidding knielen. Hij zal daarna op een biddende toon doorgaan naar de doxologie, waarin hij de heilige gaven opheft en hen aanbiedt aan de Vader.

Dan zal hij het Onze Vader uitspreken met zijn handen omhoog. Hij mag niets in zijn handen hebben want dat is eigen aan de vrede-ritus. De priester zal het heilig Sacrament niet alleen laten op het altaar door het teken van vrede buiten het priesterkoor te geven. In plaats daarvan zal hij de Hostie breken op een plechtige en zichtbare manier en ervoor knielen en bidden. Hij zal opnieuw vragen niet te eten en te drinken aan zijn eigen veroordeling maar om behouden te blijven voor het eeuwige leven door het heilig Lichaam en kostbaar Bloed van Christus. Dan zal hij het Lichaam van Christus aan de gelovigen tonen voor de communie terwijl hij bidt "Dominum non sum dignus," (Heer ik ben niet waardig). Hij zal dan met een buiging als eerste communiceren om alzo een voorbeeld voor de gelovigen te zijn.

Na de communie kan men in stilte dankzeggen en staand is beter dan zittend. Nog veel beter is knielend, indien dat mogelijk is, zoals Johannes Paulus II deed wanneer hij de H.Mis opdroeg in zijn prive-kapel, met zijn hoofd gebogen en zijn handen gevouwen. Hij vroeg dan dat de gave die hij zojuist ontvangen had hem mochten brengen tot het eeuwige leven.

De priester gaat, na de laatste groet en zegen, omhoog naar het altaar om het te kussen, richt zijn ogen nogmaals tot het kruisbeeld en buigt en knielt voor het tabernakel. Hierna keert hij terug naar de sacristie, niet links of recht kijkend, zichzelf herinnerend aan het mysterie dat zojuist heeft plaatsgevonden.

Op deze manier zullen de gelovigen worden geholpen om de heilige tekenen van de liturgie, waarin alles een betekenis heeft, en de ontmoeting met het mysterie van de levende God te begrijpen.


Pater Nicola Bux is hoogleraar Oosterse Liturgie in Bari en raadgever van de Congregaties voor de Geloofsleer, voor de Goddelijke Eredienst en de Sacramenten, alsmede van het Bureau voor de liturgische vieringen van de Paus.

Een nieuwe syllabus voor de 21e eeuw

Voor u gelezen op www.rknieuws.net:
 
Hoogleraar Roberto de Mattei - die net een werk geschreven heeft over de geschiedenis van Vaticanum II en daarin eindigt met een oproep aan Benedictus XVI om de concilieteksten opnieuw te laten onderzoeken om alzo het vermoeden uit te sluiten dat het concilie brak met de traditionele leer van de Kerk - heeft zich aangesloten bij een groep katholieke personen door een oproep te ondertekenen die gericht is aan Benedictus XVI. In deze oproep vragen ze de paus om af te zien van de nieuwe ontmoeting in Assisi omdat ze vrezen dat dit zal leiden tot een heropflakkering van syncretistische verwarring . Deze verwarring begon volgens hen met het bijeenroepen van de eerste ontmoeting in 1986 door Johannes Pauslus II in de stad van Sint-Franciscus.

In 1986 nam Joseph Raztinger, toen nog kardinaal, niet deel aan de ontmoeting in Assisi waarover hij toen zeer kritisch was. Op 24 januari 2002 nam hij echter wel deel aan een nieuwe ontmoeting op strikte voorwaarde dat de fouten die in 1986 gemaakt werden niet herhaald zouden worden.

De belangrijkste fout uit 1986 was het gelijkstellen van alle godsdiensten als “bronnen tot redding van de mensheid”. Tegen deze fout heeft de Congregatie van de Geloofsleer in het jaar 2000 opgetreden met het uitbrengen van het document “Dominus Jesus” waarin opnieuw uitgelegd wordt dat er zonder Christus geen redding kan bestaan. Kardinaal Ratzinger was op dat ogenblik prefect van de Congregatie.

Maar ook als paus, heeft Ratzinger opnieuw gewaarschuwd tegen de verwarring. In een boodschap aan de bisschop van Assisi op 02 september 2006, schreef hij:

"Om de betekenis van wat Johannes Paulus II in 1986 omschreef als de ‘geest van Assisi ‘ niet verkeerd te interpreteren, is het belangrijk om niet te vergeten hoeveel aandacht er toen besteed werd opdat de interreligieuze gebedsontmoeting niet ten prooi zou vallen aan syncretistische interpretaties die gebaseerd zijn op relativisme. Om deze reden, zelfs als we samenkomen om te bidden voor de vrede, moet dit gebed worden uitgevoerd volgens de voorschriften die eigen zijn aan elk van de verschillende religies. Dit was de regel in 1986 en deze regel is vandaag nog steeds geldig. Het samenkomen van mensen met verschillende religies mag en kan nooit de indruk wekken dat er toegevingen aan het relativisme gedaan werden. Ditzelfde relativisme ontkent de juiste betekenis van ‘waarheid’ en het bereiken van deze ‘waarheid’.”
 

zaterdag 22 januari 2011

Zondag 30 januari: Traditionele Latijnse Mis in Brugge


Zondag 30 januari 2011

Traditionele Latijnse Mis
(missaal 1962)

17u00

Basiliek van het H. Bloed
Burg, Brugge

Opgedragen door EH Schijffelen van de Petrusbroederschap.

Om 15u45 geeft EH Schijffelen het vervolg van zijn reeks conferenties over de Tridentijnse ritus in het zaaltje in restaurant Panier d'Or op de Grote Markt 28.

Vanaf 16u30 is er biechtgelegenheid in de basiliek.

-

Dezelfde dag, om 18u30, zal mgr. Léonard in de Miniemenkerk in Brussel een pontificale Hoogmis opdragen in de traditionele Latijnse ritus. Dit ter gelegenheid van het begin van het apostolaat van de Petrusbroederschap in Brussel.

maandag 10 januari 2011

Uurwijziging Mis met Mgr. Léonard

De Pontificale Mis in de buitengewone ritus met Mgr. Léonard in de Miniemenkerk in Brussel op zondag 30 januari zal om 18u30 plaatsvinden en niet om 17u30 zoals eerst werd aangekondigd.

dinsdag 4 januari 2011

Om te groeien in de kunst van het vieren (3)

In een artikelenreeks in Pastoralia richt aartsbisschop Léonard de aandacht op een aantal misvormingen in de liturgie, die in ons land redelijk wijd verspreid zijn. Hiermee geeft hij ook gevolg aan het document "Redemptionis Sacramentum" van de Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten uit 2004. Hierin worden een aantal liturgische zaken duidelijk gesteld. De liturgie is immers niet iets wat we naar believen kunnen manipuleren. Het is een rijke schat die ons uit de traditie van de Kerk werd overgeleverd en die behoedzaam moet worden bewaard en verder ontwikkeld - in continuïteit met het verleden. De volledige tekst van "Redemptionis Sacramentum" vindt u hier.
De onderstaande tekst is het vierde deel van de reeks in Pastoralia. (deel 1 verscheen niet op deze weblog). Het voorgaande gedeelte vindt u hier.

 
Ik breng graag in herinnering dat de vijf artikels over ‘ de kunst van bet vieren' gekaderd zijn binnen het pastoraal werkjaar dat gewijd is aan de initiatiesacramenten. Na in een eerste bijdrage het algemeen belang van deze reflecties en de opbouwende geest waarin ik ze met u wil delen, te hebben benadrukt, heb ik achtereenvolgens de opening van de misviering en de liturgie van het Woord behandeld, en vervolgens ook enkele aandachtspunten met betrekking tot de eucharistische dienst aangestipt. In dit vierde luik zou ik het, nog steeds vanuit dezelfde opbouwende ingesteldheid, willen hebben over de communieritus.


DE COMMUNIE

Het Onzevader

Na het eucharistisch Hooggebed ko­men we aan de communieritus. Die begint met het samen bidden van het Onzevader. Men dient erover te waken dat de tekst ervan wordt gerespecteerd, vermits het een gemeenschappelijke schat van de gehele Kerk betreft, ook al kan men betreuren dat de voorlaat­ste bede in de huidige vertaling `leid ons niet in bekoring' luidt, in plaats van `laat ons niet bezwijken aan de ver­zoeking', hetgeen menig gelovige die nadenkt over wat hij op dat ogenblik uitspreekt, tegen de borst stoot. Maar het verbeteren van deze vertaling is een beslissing die hogere instanties toe­komt. Dit gezegd zijnde, zal men na het Onzevader - of het nu gezongen of gesproken wordt - niet dadelijk ver­volgen met de gebedstekst `Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid...'. Ook gezongen versies die zulks vanzelf suggereren dienen vermeden te worden. Na het Gebed des Heren en voor de bedoelde gebeds­formule hoort het zeer mooie, zoge­naamde ‘embolismegebed' (`ontwik­kelingsgebed') thuis, waarin de pries­ter de laatste bede van het Onzevader `ontwikkelt': `Verlos ons, Heer, van alle kwaad. Geef vrede in onze dagen...'


De vredeskus

De communieritus wordt onmiddel­lijk voorafgegaan door de vredeskus en het breken van het eucharistisch brood. De vredeskus is een liturgisch gebaar waarin de gemeenschap, ja zelfs de verzoening van de verzamelde gelo­vigen tot uitdrukking komt. Het gaat hier evenwel niet om een ongebreidelde zoensessie ... In het beste geval zou de vredeskus moeten kunnen starten van bij de celebranten aan het altaar, en van daar uitgedragen worden naar de gelovigen die uitgenodigd worden deze door te geven aan hun buren. Het is niet noodzakelijk dat de priester zelf naar de kerkgangers stapt en de hele gemeenschap doorloopt. Het is nog minder vereist dat het aantal vre­deskussen recht evenredig is met het aantal assistenten ... Er moet een goed evenwicht gevonden worden tussen stijfheid en al te grote uitbundigheid (cf. § 72). Bij gelegenheid van de recen­te herziening van het Romeins Missaal stelden vele bisschoppen voor om de vredeskus voortaan bij het begin van het offertorium te plaatsen, om aldus de afleiding en het geroezemoes, dat de vredeskus net voor de communie vaak uitlokt, te voorkomen. Dit ver­standige voorstel is nog niet aanvaard. Misschien kan dat wel eens gebeuren ... Geduld!


De breking van het brood

De breking van het brood is een veel­zeggende ritus die vraagt om met grote zorg beleefd te worden. Hierin komt tot uitdrukking dat, hoe talrijk wij ook zijn, wij allen deelhebben aan hetzelfde brood dat het Lichaam van Christus is. Vandaar ook het belang over een grote hostie te beschikken die men kan ver­delen in meerdere stukken. Het weze herhaald dat de broodbreking niet plaatsvindt tijdens de consecratie (cf. § 55). Het is niet omdat men zegt: `Hij heeft het brood in zijn handen geno­men, de zegen uitgesproken, het brood gebroken...' dat men ook op dat mo­ment het brood een eerste keer moet breken. De eucharistieviering is geen uitbeelding van het Laatste Avond­maal. Evenzo is het een `vals goed idee' om de gelovigen op Witte Donderdag aan een grote tafel te laten plaatsne­men. De viering is geen overdruk van Jezus' laatste maaltijd. Die was overi­gens allesbehalve een gezellige pick­nick. Het ging om een rituele maaltijd waarbij de genodigden naar de klas­sieke gewoonte aanlagen op bankjes, zonder iemand tegenover zich. Dit te willen nabootsen heeft geen enkele li­turgische betekenis.


De communie

De priester die voorgaat en de overige concelebranten nuttigen als eersten het Lichaam van Christus en het Hei­lig Bloed (cf. § 97). Sommigen zijn wel eens van oordeel dat dit een gebrek aan hoffelijkheid is jegens de gelovigen ... Maar de communieritus heeft niets te maken met onze tafeletiquette! Wan­neer de celebranten als eersten com­municeren, is dat om reden van hun priesterlijke bediening als voorganger. Er is dus geen reden om andersom te werk te gaan.

Wat de communie van de gelovigen betreft, zijn het de gewijde bedienaren - bisschoppen, priesters en diakens - die er de gewone bedienaar van zijn (cf. § 88). Men dient enkel een beroep te doen op buitengewone bedienaren (godgewijden of leken) als daar werkelijk nood toe is wegens het grote aantal gelovigen en het kleine aantal gewijde bedienaren. De buitengewone bedie­naren zijn dat niet zomaar; ze moeten daartoe opgeleid en aangesteld zijn. Op sommige plaatsen blijven de ge­wijde bedienaren tijdens de commu­nie op hun stoel zitten, terwijl leken de heilige communie uitreiken. Het is van belang om deze totaal misplaatste ma­nier van doen, daar waar ze in zwang is, recht te zetten (cf. §§ 157-158).

Een nog ernstigere mistoestand bestaat erin de heilige communie helemaal niet uit te reiken, maar onder de gelovigen een pateen of mandje te laten rondgaan waaruit iedereen zichzelf bedient (cf. § 94). Hiermee doet men grote afbreuk aan de betekenis van het gewijde ambt, waardoor Jezus het brood van leven geeft aan de apostelen opdat zij het zou­den verdelen onder de menigte (zie het relaas van de broodvermenigvuldiging in de evangeliën).

Er dient nog veel vooruitgang geboekt te worden om de communie van de ge­lovigen in waardigheid en schoonheid te laten verlopen. Nochtans merk ik doorheen de jaren enige verbetering. Men moet er in de eerste plaats over waken dat de rechtmatige vrijheid van de gelovigen wordt gerespecteerd. Men dient te aanvaarden dat zij staande of geknield communiceren, volgens hun keuze in de hand of op de tong (cf. §§ 90-92). Als de gelovigen de communie ontvangen in de hand, zal men af en toe de juiste manier van doen in her­innering brengen. De handen worden waardig op elkaar gelegd. Men zal er sterk maar tegelijk vriendelijk op aan­dringen dat de communie ter plaatse wordt genuttigd, waarbij men even halt houdt, en dus niet terwijl men zich omdraait of zelfs al onderweg is naar zijn plaats (cf. § 92). Men dient er nog scherper op toe te zien dat de communieganger de hostie niet meeneemt naar zijn plaats, wat soms leidt tot ern­stig misbruik (cf. § 105).

Indien iemand een hostie vraagt om mee te nemen, moet men ervoor zor­gen dat, zo die persoon onbekend is of niet aangesteld is voor deze bediening, het wel degelijk diens bedoeling is de communie dadelijk na de mis naar een zieke te brengen en de hostie niet bij zich te bewaren. We kunnen niet aan­vaarden dat men de communie in een stukje papier of een zakdoek wikkelt. Er moet gebruik gemaakt worden van een pyxis of een gelijkaardige recipient die enige waardigheid uitstraalt. Voor wat meer uitleg kan men op de betrok­kene toestappen bij het buitengaan na de viering.

In dit verband zou ik heel graag heb­ben dat men, zoals ik dat heb gezien in bepaalde landen, voor het hele bis­dom een soort van kleine ‘badge' zou invoeren die het mogelijk maakt de personen die gelast zijn met het aan huis brengen van de communie, te herkennen. Dit zou de celebranten die deze personen niet kennen (een gele­genheidsvoorganger of de pastoor van een parochie waar men zich toevallig bevindt), toelaten te zien dat het wer­kelijk gaat om een bedienaar van de ziekencommunie en niet om iemand die voor andere doeleinden op zoek gaat naar hosties.

De communie onder twee gedaanten wordt, ondanks haar grote waarde, zelden aanbevolen voor grotere gemeenschappen (cf. §§100-102). Het is beter dit voor te behouden voor re­latief kleine groepen. De beste manier van handelen bestaat erin dat ieder drinkt van de beker of bekers die daar­toe zijn voorzien. Hierbij dient men te vermijden dat men het Heilig Bloed van de ene beker in de andere overgiet (cf. § 105). De communie door indo­ping - waarbij de gelovigen zelf de hos­tie in het Heilig Bloed drenken - zou, indien men dit werkelijk aangewezen vindt, eveneens moeten voorbehouden worden aan kleinere, goedgevormde groepen. In grotere gemeenschappen stel ik met pijn in het hart vast dat dit vaak aanleiding geeft tot ernstig ge­brek aan eerbied. Men stelt het gebaar veelal zo snel en zo onzorgvuldig dat er druppels Heilig Bloed op de vloer worden gemorst en vervolgens - let­terlijk! - met voeten worden getreden. Het is beter dat de priester zelf de be­ker vasthoudt, een hostie neemt uit de pateen die gedragen wordt door een gewone of buitengewone bedienaar, en, na de hostie respectvol in het Heilig Bloed te hebben gedrenkt, deze op de tong legt van de communicant (cf. § §103-104). Wanneer dit met de nodige zorg gebeurt, is dit een zeer mooi ge­baar. Sommigen zien hier met een ze­kere angst een terugkeer naar de oude manier van communiceren in. In feite is dit vooral een handelswijze in volle eerbied voor de Heer. Bovendien kan dit gebaar beleefd worden in solidari­teit met onze broeders, katholieken of orthodoxen, uit het Oosten, die altijd op deze manier communiceren, en met allen die, ook in het Westen, in meer­derheid op die wijze het Lichaam van Christus ontvangen. Een mooi oecu­menisch en intercultureel gebaar...

Bij sommige gelegenheidsvieringen (uitvaarten, huwelijken en andere) is het soms raadzaam met de nodige fijn­gevoeligheid aan te stippen dat nooit iemand zich hoeft gedwongen te voe­len om te communiceren, en dat de communie geen fatsoensritus is waar­aan iedereen uit wellevendheid moet deelnemen, zoals men mee inschuift tijdens de offergang bij begrafenissen.

In enkele zeldzame parochies was ik getuige van een bizar ritueel. In plaats van de kleine kinderen, die de commu­nieleeftijd nog niet hebben bereikt, ze­genend een kruisje te geven, bood een acoliet hen, een beetje evenwaardig als het Lichaam van Christus, een koekje of een snoepje aan. Dit leidt uiteraard tot een zeer betreurenswaardige ver­warring in de hoofdjes van de aller­kleinsten (cf. § 9G).

Tot slot, men moet ervoor zorgen dat de gelovige gemeenschap na de com­munie voldoende stiltetijd krijgt om zich te bezinnen over de ontvangen gave. Het is dus niet aangewezen om dadelijk over te gaan tot de mededelin­gen, die beter gebeuren tussen het slot­gebed en de zegen.

In een volgende bijdrage zal ik deze re­flecties over ‘de kunst van her vieren' afronden met enkele eerder algemene overwegingen die er op gericht zijn de eucharistie op een meer hartelijke en feestelijke manier te vieren.

+ ANDRE-JOZEF LEONARD,

aartsbisschop van Mechelen-Brussel

maandag 3 januari 2011

Waarom die traditionele Latijnse Mis?

In een uitgebreide documentaire schetst Michael Voris, de stichter van het populaire katholieke televisiestation op internet, RealCatholicTV, het ontstaan van de Nieuwe Mis en de liturgiehervorming na Vaticanum II. Zo maakt Voris duidelijk waarom Rome en de paus de laatste tijd zoveel aandacht schenken aan de traditionele liturgie en de "hervorming van de hervorming". Deze video's zijn in het Engels.

Deel 1:


Deel 2: